Bij het streven naar de verbetering van de stedenbouw is het aangewezen om een aantal parkeerplaatsen bij nieuwbouw en verbouwing op te leggen. Dit biedt de mogelijkheid om een toevloed van voertuigen van bewoners op de openbare parkeerplaatsen te vermijden. Het niet voorzien van parkeerplaatsen bij nieuwbouw en verbouwing dient ontmoedigd te worden.
De gemeenteraad heeft in zitting van 30 december 2019 zijn goedkeuring gehecht aan een belastingreglement op het ontbreken van parkeerplaatsen. Dit reglement vervalt op 31 december 2025.
Het is wenselijk een nieuw retributiereglement vast te stellen.
Conform artikel 170 §4 van de Grondwet en artikel 40 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur behoort de bevoegdheid tot het invoeren van belastingen exclusief toe aan de gemeenteraad.
Artikel 1. Met ingang van 1 januari 2026 en voor een periode eindigend op 31 december 2031, wordt ten behoeve van de gemeente een belasting gevestigd op het ontbreken van de nodige parkeerplaatsen bij het optrekken van nieuwe woongebouwen en bij het uitvoeren van verbouwingswerken, evenals bij het wijzigen van de bestemming van de parkeerplaats(en).
Artikel 2. De belasting is verschuldigd door:
1° de houder van een na de invoering van dit reglement afgegeven omgevingsvergunning, aan wie in deze vergunning minder parkeerplaatsen werden vergund dan voorgeschreven volgens de bepalingen van dit reglement;
2° de houder van een na de invoering van dit reglement afgegeven omgevingsvergunning, die één of meer in de omgevingsvergunning begrepen parkeerplaatsen niet heeft aangelegd;
3° de titularis van een zakelijk recht inzake een parkeerplaats, die een bestemmingswijziging doorvoert aan één of meer parkeerplaatsen, dusdanig dat niet meer voldaan wordt aan de verleende omgevingsvergunning.
Artikel 3. De belasting is solidair verhaalbaar op de rechtsopvolgers ten algemene of bijzondere titel van de in artikel 2 vermelde belastingplichtigen.
Artikel 4. Onder parkeerplaats wordt verstaan, hetzij een gesloten garage, hetzij een standplaats in een gesloten ruimte of in open lucht, buiten het openbaar domein speciaal aangelegd en uitgerust voor het parkeren van autovoertuigen en als dusdanig door het college van burgemeester en schepenen aanvaard. Een garage moet ten minste 2,75 m breed en 5 m lang zijn. Een standplaats bestaat uit een rechthoekig vlak van ten minste 2,25 m breed en 4,50 m lengte. Elke parkeerplaats moet rechtstreeks toegankelijk zijn langs een weg.
Artikel 5. De parkeerplaatsen moeten worden opgericht hetzij op het bouwperceel zelf waarop het hoofdgebouw zal komen, hetzij op een perceel gelegen binnen een omtrek van 350 meter te rekenen van de omtrek van dit perceel.
Artikel 6. Het aantal aan te leggen parkeerplaatsen wordt als volgt bepaald:
Nieuwbouw:
Voor elke woning, voorzien in het op te richten gebouw, moet minstens één parkeerplaats worden aangelegd.
Voor complexen van sociale woningen gebouwd door intercommunale verenigingen, door woonmaatschappijen erkend door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en voor woningen gebouwd overeenkomstig de door de centrale overheid opgelegde voorwaarden met het oog op het toekennen van premies voor de bouw van sociale woningen door het privaat initiatief, volstaat dat 60 % van het aantal parkeerplaatsen effectief worden aangelegd, terwijl evenwel de oppervlakte voor de overige 40 % moet worden gereserveerd, en dit niet ten koste van de groenstroken.
Bij gebouwcomplexen voor bejaarden gebouwd door intercommunale verenigingen, commissies van openbare onderstand, maatschappijen erkend door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, volstaat één parkeerplaats per drie woningen.
Verbouwing:
Indien door verbouwingswerken bijkomende woningen ontstaan, gelden dezelfde regels als voor nieuwbouw. Indien geen bijkomende woningen ontstaan, moet één parkeerplaats voorzien worden voor elke woning waarvan de oppervlakte met ten minste 50 % wordt vergroot. Deze laatste regel vervalt indien de woning reeds een parkeerplaats had voor de verbouwing.
Artikel 7. De belasting wordt vastgesteld op 3.750 € per ontbrekende of niet behouden parkeerplaats.
Artikel 8. De belasting is verschuldigd, in het geval vermeld in artikel 2, 1°, vanaf de toekenning van de omgevingsvergunning, en wordt vastgesteld bij besluit van het college van burgemeester en schepenen bij de toekenning van de omgevingsvergunning, op basis van het aantal ontbrekende parkeerplaatsen, berekend aan de hand van de plannen die bij de aanvraag om omgevingsvergunning werden gevoegd.
De belasting is verschuldigd, in het geval vermeld in artikel 2, 2° en 3°, na vaststelling door een door het gemeentebestuur daartoe aangestelde ambtenaar door middel van een proces-verbaal van de belastbare toestand of feiten.
Artikel 9. In het geval van artikel 2, 2° en 3°, wordt de belastingplichtige tenminste acht kalenderdagen vooraf per aangetekend schrijven uitgenodigd om bij de vaststelling aanwezig te zijn. Het proces-verbaal van vaststelling wordt aan de belastingplichtige per aangetekend schrijven toegestuurd.
Artikel 10. De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
De vestiging en de invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008, zijn de bepalingen van titel VII (Vestiging en invordering van de belastingen), hoofdstukken 1, 3, 4 ,6 tot en met 9 bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de artikelen 126 tot 175 van het uitvoeringsbesluit van dit Wetboek van toepassing, voor zover niet specifiek de belastingen op de inkomsten betreffen.
Artikel 11. Bij het vervallen van de omgevingsvergunning, ingevolge de niet-uitvoering van de werken, of bij de vernietiging van de omgevingsvergunning door de hogere overheid, wordt de reeds betaalde belasting terugbetaald aan betrokkene.
Artikel 12. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026.